Privaatrecht Actueel

Privaatrecht Actueel

Hire a custom writer who has experience.
It's time for you to submit amazing papers!


order now

Verruiming van adoptiemogelijkheden

Prof. mr. A.J.M. Nuytinck,

hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder personen-, familie- en erfrecht, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en hoogleraar burgerlijk recht, in het bijzonder personen- en familierecht, aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Tekst voor omslag

De auteur gaat in op de verruiming van adoptiemogelijkheden, zoals voorgesteld in wetsvoorstel 30 551, waarbij niet alleen Boek 1 BW, maar ook de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt gewijzigd

Inleiding

Op 9 mei 2006 is bij de Tweede Kamer wetsvoorstel 30 551 ingediend tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met verkorting van de adoptieprocedure en wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in verband met adoptie door echtgenoten van gelijk geslacht tezamen.1 Dit wetsvoorstel verruimt de adoptiemogelijkheden en wijzigt daartoe enkele bepalingen van titel 1.12 BW en art. 1 Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Ook een nieuw art. 3a Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting wordt ingevoegd. Hierna behandel ik deze wijzigingen kort.

Wijziging van titel 1.12 BW

Naar huidig recht is de situatie bij eenouder- of eenpersoonsadoptie zo, dat het adoptieverzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, slechts kan worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd (art. 1:227 lid 2, tweede zin). Ingevolge het wetsvoorstel geldt deze voorwaarde evenwel niet indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en die ouder (art. 1:227 lid 2, derde zin, nieuw). Dit novum is uiteraard voor duomoeders van groot belang. Om ieder misverstand te voorkomen benadruk ik hier dat ik onder ‘duomoeders’ uitsluitend de situatie begrijp van twee vrouwen, van wie de ene vrouw moeder door geboorte is en de andere vrouw moeder door adoptie wil worden, dus niet de situatie waarin twee vrouwen tezamen een kind adopteren. Bovendien wordt op grond van het wetsvoorstel de sinds 1 april 2001 geldende adoptievoorwaarde dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder heeft te verwachten (art. 1:227 lid 3), juist voor duomoeders uitgeschakeld. Art. 1:227 lid 4 (nieuw) bepaalt immers dat, indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder en het kind door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in art. 1, onder c, Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is verwekt en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring wordt overgelegd, het verzoek wordt toegewezen, tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is of niet is voldaan aan de in art. 1:228 genoemde voorwaarden. Laatstgenoemde bepaling van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting

1 Kamerstukken II 2005/06, 30 551, nr. 1-4.

verstaat onder kunstmatige donorbevruchting het beroeps- of bedrijfsmatig verrichten van handelingen, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand komen van een zwangerschap met gebruikmaking van (1) zaad van een ander dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw of (2) een eicel van een andere vrouw. Met de stichting is bedoeld de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting in de zin van art. 1, onder b, jis. art. 4-9 Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.

De adoptieprocedure wordt aanzienlijk verkort door de wijziging van de adoptievoorwaarde van art. 1:228 lid 1, onder f. Het eerste gedeelte van dit onderdeel maakt naar huidig recht nog onderscheid tussen eenpersoonsadoptie (verzorgings- en opvoedingstermijn van ten minste drie aaneengesloten jaren) en tweepersoonsadoptie (verzorgings- en opvoedingstermijn van ten minste een jaar). Het wetsvoorstel trekt de termijnen gelijk: zowel bij eenpersoonsadoptie als bij tweepersoonsadoptie wordt de termijn een jaar. De nieuwe adoptievoorwaarde komt immers als volgt te luiden: ‘dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed’ (art. 1:228 lid 1, onder f, eerste gedeelte, nieuw). Voor duomoeders is van belang art. 1:228 lid 1, onder f, tweede gedeelte. Het wetsvoorstel vervangt in dit gedeelte uitsluitend ‘geboren uit de relatie’ door ‘geboren binnen de relatie’. Terecht, want niet alleen bij een relatie tussen twee mannen, maar ook bij een relatie tussen twee vrouwen kan niet worden gezegd dat een kind ‘uit’ deze relatie wordt geboren, maar hooguit – bij twee vrouwen – dat een kind ‘binnen’ deze relatie wordt geboren (bij twee mannen kan zelfs dit laatste niet worden gezegd). Het voorzetsel ‘uit’ wordt aldus volkomen juist gereserveerd voor uitsluitend heteroseksuele relaties. Art. 1:228 lid 1, onder f, tweede gedeelte (nieuw) luidt dus dat, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat de adoptant en die ouder het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, tenzij het kind wordt geboren binnen de relatie van de moeder met een levensgezel van gelijk geslacht.

Belangrijk in het wetsvoorstel is ook de verlening van terugwerkende kracht aan de adoptie. Op deze wijze kan zoveel mogelijk gelijkstelling met de situatie door erkenning of met van rechtswege door geboorte ontstaan ouderschap worden bereikt, aldus de minister in de memorie van toelichting.2 Art. 1:230 lid 2 (nieuw) regelt deze terugwerkende kracht: ‘Indien het kind is geboren binnen de relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van de geboorte van het kind; indien de adoptie uiterlijk zes maanden na de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van indiening van het verzoek. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing indien voor de adoptie familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het kind en een andere ouder en deze door de adoptie zijn verbroken. De adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook worden uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is overleden’. Het ontbreken van terugwerkende kracht in het geval van art. 1:230 lid 2, tweede zin (nieuw), is logisch. Hierbij wordt gedacht aan de situatie waarin de verwekker het kind reeds had erkend, en dus voor de adoptie reeds familierechtelijke betrekkingen met hem waren gevestigd en deze betrekkingen door de adoptie worden verbroken, aldus de minister in de memorie van toelichting.3

Wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting

In de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting wordt een nieuw art. 3a ingevoegd. Dit nieuwe artikel houdt in dat op verzoek van de ouder van het kind dat door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting is verwekt, de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting een verklaring verstrekt als bedoeld in art. 1:227 lid 4 (nieuw), waarin de

2 Kamerstukken II 2005/06, 30 551, nr. 3, p. 4.

3 Zie de vorige noot.

persoonsidentificerende gegevens van de donor niet worden opgenomen. Deze verklaring is dus niet tot de donor herleidbaar.4 De positie van de anonieme donor is volgens de minister een andere dan die van de bekende donor of de verwekker. Een en ander laat uiteraard onverlet, gelet op de opheffing van de anonimiteitswaarborg ten aanzien van de donor sinds 1 juni 2004, dat het kind dat de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, in de meeste gevallen erachter kan komen wie zijn biologische vader is. Art. 3 lid 2 Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting, dat sinds laatstgenoemde datum volledig in werking is getreden op grond van art. 14 van deze wet, bepaalt immers dat de persoonsidentificerende gegevens van de donor (dat zijn op grond van art. 2 lid 1, onder c, van deze wet diens geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats) aan degene die weet of vermoedt dat hij is verwekt door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting en die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, op zijn verzoek worden verstrekt, nadat de donor daarmee schriftelijk heeft ingestemd. Verstrekking blijft, indien de donor daarmee niet instemt, uitsluitend achterwege indien, in aanmerking genomen de gevolgen die niet-verstrekking voor de verzoeker zou kunnen hebben, zwaarwegende belangen van de donor meebrengen dat verstrekking niet behoort plaats te vinden.

Wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

Art. 1 Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie definieert thans nog ‘aspirant- adoptiefouders’ als echtgenoten van verschillend geslacht of een persoon die een buitenlands kind met het oog op adoptie wensen op te nemen of hebben opgenomen, en ‘adoptiefouders’ als echtgenoten van verschillend geslacht of een persoon die een buitenlands kind hebben geadopteerd. Het wetsvoorstel schrapt in beide gevallen ‘van verschillend geslacht’, zodat duidelijk is dat voortaan zowel echtgenoten van verschillend geslacht als echtgenoten van hetzelfde geslacht binnen het bereik van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vallen. Het moet dus – afgezien van de eenpersoonsadoptie – gaan om hetzij een man en een vrouw die met elkaar zijn gehuwd, hetzij twee mannen die met elkaar zijn gehuwd, hetzij twee vrouwen die met elkaar zijn gehuwd. Geregistreerde partners en andere levensgezellen vallen, ongeacht hun geslacht, niet binnen het bereik van deze wet, als zij een kind tezamen willen adopteren.

Men moet van de voorgestelde wetswijziging niet al te veel verwachten. De minister geeft immers zelf in de memorie van toelichting al toe dat vooralsnog niet is te verwachten dat er een land van herkomst is dat een kind voor opneming ter adoptie door twee echtgenoten van gelijk geslacht tezamen beschikbaar zal stellen. Zou er een land van herkomst zijn dat kinderen hiervoor beschikbaar stelt, dan is te verwachten dat het slechts om enkele gevallen per jaar zal gaan.5 Uiteraard is het wel mogelijk dat, als een land van herkomst geen kind beschikbaar stelt voor opneming ter adoptie door bijvoorbeeld twee met elkaar gehuwde mannen tezamen, de ene echtgenoot gebruik maakt van de mogelijkheid van eenouderadoptie, die ook mogelijk is in het kader van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, waarna de andere echtgenoot op zijn beurt eveneens het kind kan adopteren, mits is voldaan aan de samenlevingstermijn van ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het adoptieverzoek (art. 1:227 lid 2, tweede zin) en aan de verzorgings- en opvoedingstermijn van ten minste een jaar (art. 1:228 lid 1, onder f, tweede gedeelte).

Ten slotte

4 Kamerstukken II 2005/06, 30 551, nr. 3, p. 3 en 5.

5 Kamerstukken II 2005/06, 30 551, nr. 3, p. 2.

De regering heeft haar beleid ten aanzien van adoptie gewijzigd, dat moge duidelijk zijn. Eind jaren negentig van de vorige eeuw en ook in de eerste jaren van deze eeuw werd immers steeds benadrukt dat de adoptiemogelijkheden moesten worden teruggedrongen ten gunste van gezamenlijk gezag van een ouder en zijn partner en gezamenlijke voogdij, bijvoorbeeld door aan de beide laatste figuren erfrechtelijke gevolgen te verbinden, ook al is omtrent dit laatste plan vanaf 1 mei 2000 niets meer vernomen.6 Het onderhavige wetsvoorstel is vooral onder druk van de Tweede Kamer tot stand gekomen, want zij had niet alleen gepleit voor afstammingsrechtelijke gelijkstelling van kinderen, geboren binnen een relatie van twee vrouwen7, maar ook voor openstelling van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie voor echtgenoten van gelijk geslacht tezamen.8 Zoals ik hierboven aan het slot van punt 4 al heb aangegeven, zal er wat de adoptie van buitenlandse kinderen betreft waarschijnlijk niet veel veranderen, maar in ieder geval zal wel de adoptieprocedure voor duomoeders een stuk soepeler verlopen dan nu het geval is, in het bijzonder door schrapping van de samenlevingstermijn van drie jaren en door schrapping van de adoptievoorwaarde ‘niets meer heeft te verwachten’ in de zin van art. 1:227 lid 3. Als het wetsvoorstel wet is geworden, treedt de nieuwe wet in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst (art. IV van het wetsvoorstel).

6 Kamerstukken II 1999/2000, 22 700, nr. 31 (brief van de Minister van Justitie van 1 mei 2000 over de erfrechtelijke gevolgen van gezamenlijk gezag in het kader van de notitie ‘Leefvormen’), waarover M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 1), Deventer: Kluwer 2006, nr. 221, slot.

7 Kamerstukken II 1999/2000, 26 672 en 26 673, nr. 9 (motie-O.P.G. Vos c.s.).

8 Zie o.a. Kamerstukken II 2004/05, 28 457 en 26 672, nr. 22 en 23, alsmede Kamerstukken II 2005/06, 28 457, nr. 26 en 27 (discussie in het kader van de Wet conflictenrecht adoptie).

x

Hi!
I'm Ella

Would you like to get such a paper? How about receiving a customized one?

Check it out