Privaatrecht Actueel

Privaatrecht Actueel - Page 2

Wijziging van titel 1.12 BW

Hire a custom writer who has experience.
It's time for you to submit amazing papers!


order now

Naar huidig recht is de situatie bij eenouder- of eenpersoonsadoptie zo, dat het adoptieverzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, slechts kan worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd (art. 1:227 lid 2, tweede zin). Ingevolge het wetsvoorstel geldt deze voorwaarde evenwel niet indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en die ouder (art. 1:227 lid 2, derde zin, nieuw). Dit novum is uiteraard voor duomoeders van groot belang. Om ieder misverstand te voorkomen benadruk ik hier dat ik onder ‘duomoeders’ uitsluitend de situatie begrijp van twee vrouwen, van wie de ene vrouw moeder door geboorte is en de andere vrouw moeder door adoptie wil worden, dus niet de situatie waarin twee vrouwen tezamen een kind adopteren. Bovendien wordt op grond van het wetsvoorstel de sinds 1 april 2001 geldende adoptievoorwaarde dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder heeft te verwachten (art. 1:227 lid 3), juist voor duomoeders uitgeschakeld. Art. 1:227 lid 4 (nieuw) bepaalt immers dat, indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder en het kind door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in art. 1, onder c, Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is verwekt en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring wordt overgelegd, het verzoek wordt toegewezen, tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is of niet is voldaan aan de in art. 1:228 genoemde voorwaarden. Laatstgenoemde bepaling van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting

1 Kamerstukken II 2005/06, 30 551, nr. 1-4.

verstaat onder kunstmatige donorbevruchting het beroeps- of bedrijfsmatig verrichten van handelingen, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand komen van een zwangerschap met gebruikmaking van (1) zaad van een ander dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw of (2) een eicel van een andere vrouw. Met de stichting is bedoeld de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting in de zin van art. 1, onder b, jis. art. 4-9 Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.

De adoptieprocedure wordt aanzienlijk verkort door de wijziging van de adoptievoorwaarde van art. 1:228 lid 1, onder f. Het eerste gedeelte van dit onderdeel maakt naar huidig recht nog onderscheid tussen eenpersoonsadoptie (verzorgings- en opvoedingstermijn van ten minste drie aaneengesloten jaren) en tweepersoonsadoptie (verzorgings- en opvoedingstermijn van ten minste een jaar). Het wetsvoorstel trekt de termijnen gelijk: zowel bij eenpersoonsadoptie als bij tweepersoonsadoptie wordt de termijn een jaar. De nieuwe adoptievoorwaarde komt immers als volgt te luiden: ‘dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed’ (art. 1:228 lid 1, onder f, eerste gedeelte, nieuw). Voor duomoeders is van belang art. 1:228 lid 1, onder f, tweede gedeelte. Het wetsvoorstel vervangt in dit gedeelte uitsluitend ‘geboren uit de relatie’ door ‘geboren binnen de relatie’. Terecht, want niet alleen bij een relatie tussen twee mannen, maar ook bij een relatie tussen twee vrouwen kan niet worden gezegd dat een kind ‘uit’ deze relatie wordt geboren, maar hooguit – bij twee vrouwen – dat een kind ‘binnen’ deze relatie wordt geboren (bij twee mannen kan zelfs dit laatste niet worden gezegd). Het voorzetsel ‘uit’ wordt aldus volkomen juist gereserveerd voor uitsluitend heteroseksuele relaties. Art. 1:228 lid 1, onder f, tweede gedeelte (nieuw) luidt dus dat, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat de adoptant en die ouder het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, tenzij het kind wordt geboren binnen de relatie van de moeder met een levensgezel van gelijk geslacht.

Belangrijk in het wetsvoorstel is ook de verlening van terugwerkende kracht aan de adoptie. Op deze wijze kan zoveel mogelijk gelijkstelling met de situatie door erkenning of met van rechtswege door geboorte ontstaan ouderschap worden bereikt, aldus de minister in de memorie van toelichting.2 Art. 1:230 lid 2 (nieuw) regelt deze terugwerkende kracht: ‘Indien het kind is geboren binnen de relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van de geboorte van het kind; indien de adoptie uiterlijk zes maanden na de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van indiening van het verzoek. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing indien voor de adoptie familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het kind en een andere ouder en deze door de adoptie zijn verbroken. De adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook worden uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is overleden’. Het ontbreken van terugwerkende kracht in het geval van art. 1:230 lid 2, tweede zin (nieuw), is logisch. Hierbij wordt gedacht aan de situatie waarin de verwekker het kind reeds had erkend, en dus voor de adoptie reeds familierechtelijke betrekkingen met hem waren gevestigd en deze betrekkingen door de adoptie worden verbroken, aldus de minister in de memorie van toelichting.3

x

Hi!
I'm Ella

Would you like to get such a paper? How about receiving a customized one?

Check it out